Atopisch eczeem: Inleiding
Atopisch eczeem (AE) is de meest voorkomende inflammatoire huidziekte bij baby's en kleine kinderen.
Gewoonlijk is het de eerste manifestatie van de atopische triade: eczeem, astma en rhinoconjunctivitis.
De atopische ziekten brengen grote problemen voor de patiënt, diens omgeving en voor de behandelaars met zich mee. De kwaliteit van leven bij patiënten met AE - gemeten met gestandaardiseerde scoringssystemen - is sterker verminderd dan bij patiënten met insuline -afhankelijke diabetes en even sterk verminderd als bij patiënten met kanker.
Epidemiologie
De prevalentie van atopisch eczeem voor kinderen in de leeftijd 0 - 7 jaar is gestegen van ca. 3% in de jaren 1960 tot tegenwoordig ca. 15%-20% van de Scandinavische bevolking. Deze stijging lijkt inmiddels een plateau te hebben bereikt.
Van een parallelle stijging is sprake bij kinderen met astma, hetgeen zou kunnen duiden op gemeenschappelijke triggerfactoren.
Voor wat betreft volwassenen is de prevalentie onzekerder. Een Duitse studie vond een puntprevalentie voor volwassenen van 3,4% en een levensduurprevalentie voor volwassenen tussen 7,9% (Rusland) en 17,7% (Finland).
Atopisch eczeem komt vaker voor bij personen in steden dan op het platteland, in kleinere gezinnen en vooral in gezinnen met een hogere sociale status. Deze waarnemingen hebben geleid tot het weer opbloeien van de "hygiëne-theorie". De hygiëne-theorie suggereert dat blootstelling aan allergenen, gebrek aan blootstelling aan infecties of andere antigene triggerfactoren (primair degenen die eenTh-1 - respons induceren) op een vroegtijdig moment in het leven, mogelijk een rol spelen bij de ontwikkeling van atopisch eczeem.
|